Pijnappelkier of Epifyse | Pijnappelklier onderzoek | Pijnappeklier derder oog | Meditatie Peace of Mind
Zoeken | home


Pijnappelklier of Derde oog

Het derde oog en de evolutie van de mens: Een oude aanwijzing voor de spiritualiteit van de mens
John van Mater, jr.


Als we denken aan het ‘derde oog’ komen er verschillende dingen bij ons op. Sommigen zullen het misschien in verband brengen met dieren zoals leguanen of de oude brughagedissen uit Nieuw Zeeland die nog steeds een functioneel derde oog hebben, ook wel de pijnappelklier genoemd. Het resultaat van hedendaags wetenschappelijk onderzoek bevestigt de mogelijkheid dat dit orgaan het eerste in de natuur voorkomende oog was, in het bijzonder bij de gewervelde dieren en de mens. Men staat hier voor veel raadsels omdat de wetenschap de exacte functie van de pijnappelklier nog niet kent. Microscopisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze uit cellen bestaat die de duidelijke kenmerken hebben van de staafvormige lichtgevoelige cellen die in het netvlies voorkomen en een aanwijzing zijn voor de mogelijke oorspronkelijke functie als een gezichtsorgaan. De pijnappelklier blijkt signalen te ontvangen uit het hersengebied die direct worden beïnvloed door de prikkels die langs de gezichtszenuwen lopen, en ze scheidt het hormoon melatonine af dat ook voorkomt in het netvlies van de twee ogen. Het blijkt dat dit hormoon een rol speelt in het 24-uurs ritme, of de slaap-/waakcyclus, een proces dat wetenschappers nog niet volledig begrijpen. In de theosofische literatuur wordt echter gesteld dat deze klier aan de schedelbasis met de grootte van een erwt, naast haar fysiologische functies een belangrijk psychofysiologisch centrum of chakra is dat een rol speelt bij werkingen zoals helderziendheid en intuïtie.

pijnappelklierDe mythen en tradities van de wereld bieden een vruchtbare bron van informatie over de evolutie van de mens en het derde oog. Velen van ons hebben gehoord van de Griekse mythe over de Cyclops, de eenogige reus waartegen Ulysses vecht, of het mystieke oog van Siva dat intuïtie of direct kosmisch inzicht symboliseert. In deze mythische tradities komen ook oude rassen van reuzen en titanen voor die vele eeuwen geleden zouden hebben geleefd. De tijdloze wijsheid van deze oude traditionele kennis verschaft essentiële informatie over de manier waarop de mensheid op aarde is ontstaan, en het combineren van de interpretaties van de wetenschap en oude bronnen in het licht van de theosofie kan ons een nieuw perspectief bieden op het verleden van de mensheid en het derde oog.

Waarschijnlijk was het primitieve derde oog functioneel voordat onze huidige twee ogen werden gevormd en het belangrijkst werden. Interessant is dat zowel de pijnappelklier als de twee ogen vanuit weefsellagen van de embryonale hersenen naar buiten steken – een normaal gegeven in de embryologie. Dit is zeer veelbetekenend voor de evolutie van de organen en zintuigen in het algemeen. De biologie erkent de pijnappelklier als het eerst voorkomende oog in de natuur, in elk geval bij de meeste primitieve gewervelde dieren. Bij ongewervelde dieren en lagere gewervelde diersoorten ontwikkelden zich in de loop van honderden miljoenen jaren verschillende soorten ogen. Een van de laagste gewervelde dieren die een oog heeft is de larve van de zeeschede, en er is ook een primitieve ‘derde’ oogstructuur bij vissen, amfibieën en reptielen – zelfs vogels hebben een lichtgevoelige pijnappelklier binnenin de schedel.1 Het kan zijn dat sommige dinosaurussen ook enorme derde ogen hebben gehad, te oordelen naar de openingen bovenop hun schedels. De latere zoogdieren en zoogdierachtige dinosaurussen hadden ook deze openingen, maar dit derde oog verdween al snel onder de schedel en werd de pijnappelklier die bij de mens en bij de meeste hogere gewervelde dieren wordt aangetroffen. Schapen hebben echter nog steeds een pijnappelklier die direct wordt beïnvloed door helder licht.

De wetenschap erkent dat alle organische wezens van een centraal voorgeslacht afstamden. Het voornaamste verschil in de theosofische interpretatie is dat de hoogste wezens – goden en het mensenrijk – de lagere dieren- en plantenrijken hebben voortgebracht, en niet andersom. Mensen zijn hier niet het eindresultaat van een transformatieproces van lichaamssoorten, die zich hebben ontwikkeld van primitievere lichamen tot hogere, zoals dat door de huidige wetenschappelijke theorie wordt beschreven. Integendeel, de laagste goden of ‘engelen’ scheidden astrale modellen af die op den duur de eerste fysieke menselijke vormen werden. De vroegste astrale vóórmenselijke entiteiten waren in essentie spirituele wezens met uiterlijke voertuigen geschikt voor meer etherische stoffelijke gebieden. In de wetenschap wordt verondersteld dat de fysieke stof tegenwoordig over het algemeen dezelfde is als honderden miljoenen of miljarden jaren geleden, wat niet per definitie het geval hoeft te zijn. We weten wel dat de aarde gasachtige en andere afkoelingsstadia heeft doorgemaakt – een nevelachtig stadium bijvoorbeeld – alvorens zich te verdichten tot een vaste vorm. Waarom zou er niet een overeenkomstige precipitatie zijn geweest van de ‘organische’ natuurrijken, waaronder de vroege mensenrassen, naarmate ze vanuit een meer etherische of astrale toestand fysiek werden?

Scheppingsverhalen bevatten en bewaren een geschiedenis van werelden en van de mensheid die een ontzagwekkend lange periode beslaat. De vertellingen erin hebben niet alleen betrekking op fysieke gebeurtenissen, maar ook op de oorzakelijke, bewustzijnskant van de natuur. Volgens de beschrijvingen in oude tradities hebben de mensheid en de andere natuurrijken één gemeenschappelijke goddelijke oorsprong. Als godsvonken daalden ze af in de stof gedurende enorm lange cyclussen van ervaring. De Ouden zagen de evolutie als een zich ontvouwen van het innerlijke bewustzijn dat de stof bezielt. De godsvonken groeien door ervaring en ontwikkelen aardse voertuigen en zintuigen, evenals eigenschappen als intelligentie en vrije wil. Deze zienswijze is in tegenspraak met de darwinistische theorie die beweert dat alleen de dode stof zich toevallig door mutatie, natuurlijke selectie en externe invloeden tot vormen evolueerde. Ongetwijfeld spelen deze factoren mee, maar ze zijn niet de voornaamste oorzaken van evolutie.

Volgens de theosofie is ons innerlijke wezen gebaseerd op het zevenvoudige patroon van het levende heelal en delen wij in de goddelijkheid ervan. Ons wezenlijke, onsterfelijke zelf bewaart een herinnering aan alles dat het heeft geleerd gedurende reusachtige cyclussen van afdalen in de stof en weer opstijgen naar de geest. Het aanwezige monadische bewustzijn brengt onze ziel of tussennatuur voort, die talloze keren in de verschillende natuurrijken incarneert op weg om mens te worden. Tijdens deze reis is er een drievoudige evolutie van lichaam, ziel en geest, waarbij elk van deze elementen zich langs zijn eigen individuele weg ontwikkelt met zijn eigen geheugen. De mensheid heeft zich volgens ditzelfde cyclische patroon geëvolueerd van etherische tot stoffelijke en weer terug tot etherische substantie, een proces dat in de theosofische literatuur soms wordt omschreven als zeven wortelrassen, waarbij wortelras een algemene term is die de hele mensheid beschrijft die in een bepaalde cyclus bestaat. Het eerste wortelras is bijzonder etherisch, het vierde het meest stoffelijke, en het zevende is weer etherisch.

Volgens H.P. Blavatsky was de fysieke natuur aan het begin van het derde wortelras, dat meer dan 18 miljoen jaar geleden zou zijn begonnen, veel plastischer, en de toekomstige menselijke entiteit nam vele vormen aan. Deze ontwikkelingen gingen gepaard met innerlijke bewustzijnskrachten die zich vermengden met materie om ons psychische element te vormen, dat samenwerkt met de fysieke natuur om de hersenen te vervolmaken en de zintuigen in staat stelt te functioneren. De zintuig-organen ontwikkelden zich tegelijk met de buitenste ‘huidlagen’, naarmate de reusachtige etherische menselijke voorouders zich geleidelijk materialiseerden. Het denkvermogen is de verbindende schakel tussen hemels en aards bestaan, een noodzakelijk bestanddeel van evolutie en voltooiing. Er is geen bevredigende wetenschappelijke verklaring voor de vraag waarom de hersenschors van de mens, het fysieke orgaan van de intelligentie die wij zo hoogschatten, bijna drie keer zo groot wordt gedurende de eerste jaren na de geboorte. Het weerspiegelt volgens mij de gedenkwaardige gebeurtenissen die plaatsvonden aan het begin van de evolutie van de mens met het ontwaken van het denkvermogen, dat in de theosofische literatuur ongeveer 18 miljoen jaar geleden is gedateerd.

Het thema van het ontwaken van het denkvermogen en de gevolgen ervan treft men ook aan in oude mythen. In de Oud-Noorse mythologie, bijvoorbeeld, wordt ons verteld dat de God Odin één van zijn ogen – dat het derde oog van het spirituele inzicht symboliseert – moest opofferen om te drinken uit de Bron van Wijsheid (dat betekent om cyclussen in de stof te ervaren). Dit en andere verhalen over de gevallen engelen of over Adam en Eva verwijzen naar de vroege evolutiestadia van de mens en naar de scheiding van de geslachten bijna halverwege het derde wortelras. Gedurende dit tijdperk vond er een enorme ontwikkeling plaats van de hersenen, het orgaan van het intellect, en goddelijke leermeesters zouden de kunsten en wetenschappen en geheimen van de natuur aan de zich ontwikkelende mensheid hebben onderwezen. Zij hebben de oorspronkelijke kennis ingeprent op ons innerlijke wezen, daarbij geholpen door het directe zien van goddelijke realiteiten door het derde oog. Naarmate dit wortelras van drie-ogige reuzen echter stoffelijker werd en spiritueel gezien minder onschuldig, trokken de goden zich terug.

Volgens De Geheime Leer vallen de geestelijke en psychische involutie samen met de fysieke evolutie, zodat de geestelijke en psychische zintuigen van de eerste mensenrassen terugweken gedurende de ontwikkeling van de uiterlijke zintuigen. Het derde oog

was een actief orgaan . . . waarin het geestelijke element in de mens de nauwelijks geboren intellectuele en psychische elementen overheerste. En terwijl de cyclus zijn loop naar beneden voortzette tot dat punt waarop de fysiologische zintuigen werden ontwikkeld door, en gelijke tred hielden met, de groei en de consolidatie van de stoffelijke mens . . . verschrompelde tenslotte dat middelste ‘oog’, samen met de eerste geestelijke en zuiver psychische eigenschappen van de mens. – 2:337

Wat eerder citeert Helena Blavatsky een oude toelichting die luidt: ‘Er waren vierarmige menselijke wezens in die oude tijden van de man-vrouwen (hermafrodieten); met één hoofd, maar toch drie ogen. Zij konden vóór en achter zich zien.’ Vervolgens merkt ze op in een voetnoot:

pijnappelklierHet derde oog bevond zich namelijk aan de achterkant van het hoofd. De mededeling dat de laatste hermafrodiete mensheid ‘vierarmig’ was, ontraadselt waarschijnlijk het mysterie van al de voorstellingen en afbeeldingen van de exoterische goden van India. Op de Acropolis van Argos was er een , een ruw gesneden houten beeld (toegeschreven aan Daedalus), dat een drie-ogige kolos voorstelt, die was gewijd aan Zeus-Triopas (drie-ogig). Het hoofd van de ‘god’ heeft twee ogen in het gezicht en één bovenaan het voorhoofd. Het wordt beschouwd als een van de meest archaïsche van alle oude beelden . . .

De oude Toelichting vervolgt: ‘Een kalpa later (na de scheiding van de geslachten), toen de mensen in de stof waren gevallen, werd hun geestelijke blik vaag; en tegelijk begon het derde oog zijn kracht te verliezen’ (2:332).

De vroege varianten van de mensheid waren wat betreft grootte en vorm voor een deel experimenten in de fysieke natuur, waarbij hulp werd gegeven door goddelijke intelligenties; en het meest stoffelijke stadium bracht de grootste verscheidenheid aan mensensoorten voort. In vroegere aardse cyclussen of ‘ronden’ doorliepen de menselijke monaden de levensstadia van mineralen, planten en dieren, van de laagste tot de hoogste. Gedurende deze eerste ronden volgde het mensenrijk de grondpatronen van planten en dieren die hadden bestaan in eerdere belichamingen van de aarde en gebruikte daarbij etherische substantie om zijn voertuigen te vormen. Deze korte herhaling van de evolutionaire ontwikkeling door de astrale mensheid bracht algemene prototypen voort die werden gebruikt door de dieren die zich op hun eigen bijzondere manier aanpasten en geleidelijk afweken van de eenvoudige vorm van de menselijke hoofdlijn. Toch bleven gewervelde diersoorten, waaronder de mensen, bepaalde fundamentele elementen gemeenschappelijk houden, zoals het derde oog, de vijf zintuigen – en zelfs staarten!

De biologie erkent dat het menselijke embryo vanuit een enkele cel stadia doorloopt die lijken op de verschillende rijken. Er is bijvoorbeeld een visstadium met kieuwspleten, een reptielstadium met een staart en er zijn ook zoogdierstadia. Sommige kinderen worden nog steeds geboren met resten van een kieuwspleet of een waarneembare staart. De vraag is, waarom zou de ene of de andere afwijking nu kunnen verschijnen als de primaire herinnering aan deze vroege evolutie niet nog steeds in ons oorspronkelijk protoplasma en misschien ook in de genen is ingeprent? Onderzoek wijst erop dat mensen extra DNA hebben dat wordt opgeslagen maar niet onmiddellijk schijnt te worden gebruikt.

Volgens de theosofie was het vierde wortelras in het begin drie-ogig en leefde in de meest stoffelijke periode van de fysieke evolutie van de mens, toen geest en stof in evenwicht waren op de neergaande boog. Zij moeten enorm groot zijn geweest, met titanische kracht en een grote intelligentie die hen in staat stelde hoogontwikkelde beschavingen voort te brengen. Maar voor de ontwikkeling van het denkvermogen, de vijf zintuigen, het persoonlijke ego, en de lagere begeerten moest een prijs worden betaald: het derde oog werkte niet langer als een geestelijk orgaan, behalve bij hoogontwikkelde mensen voor wie het derde oog harmonieus functioneerde met hun geestelijke aard. Bij de meerderheid moest het ‘innerlijke zien’ worden opgewekt en verworven door kunstmatige prikkels die aan de archaïsche wijzen bekend zijn. Daarna ‘versteende’ het derde oog geleidelijk en verdween, diep teruggetrokken in het hoofd. Maar wanneer het werkelijke zelf actief is gedurende trances en geestelijke visioenen, zou dit oorspronkelijke oog zelfs nu opzwellen en uitzetten (vgl. De Geheime Leer 2:332-3).

Elk evolutiestadium getuigt van een grote intelligentie en wijsheid. De innerlijke krachten van het bewustzijn en hun onmisbare circulatie werken door middel van de uitwendige functies van de zintuigen en het lichaam. Het denkvermogen en de zintuigen zijn paden voor occulte energieën die werken door middel van verschillende psychofysieke centra of chakra’s, waarvan de hoogste de pijnappelklier is. Deze centra blijven zich ontwikkelen terwijl wij evolueren tot geest. Dus terwijl het derde oog of de pijnappelklier bepaalde fysiologische werkingen heeft in combinatie met de hypofyse – samen reguleren ze het ritme van stofwisseling en groei – is het ook het fysieke orgaan van intuïtie, inspiratie, geestelijk inzicht, en goddelijk denken. Blavatsky zegt dat de pijnappelklier ‘precies de sleutel is naar het hoogste en meest goddelijke bewustzijn in de mens – zijn alwetende, geestelijke en allesomvattende geest’. Het is ‘de slinger die, als het uurwerk van de innerlijke mens eenmaal is opgewonden, het geestelijke inzicht van het ego naar de hoogste niveaus van waarneming voert, waar zich aan dat ego een horizon ontvouwt die vrijwel oneindig is’ (Studies in Occultism, blz. 199-200). Wanneer het hart, het centrum van de menselijke geestelijke monade, volkomen in harmonie met de pijnappelklier vibreert, worden de twee als één. De hypofyse, het orgaan van de wil, vibreert dan gelijktijdig, waardoor een goddelijk wezen ontstaat met een vrijwel onbeperkte visie.

Ook nu nog is de pijnappelklier de bron van helderziende vermogens en intuïtief bewustzijn. Telkens als we een voorgevoel hebben vibreert deze klier zachtjes; wanneer we een ingeving of flits van intuïtief begrijpen hebben, vibreert ze sterker, hoewel nog steeds zachtjes. ‘Het gaat echter moeizaam, hoofdzakelijk door toedoen van de twee ogen die de overhand kregen. In de loop van de tijd zullen de twee ogen geleidelijk volmaakter gaan functioneren, maar zullen in betekenis afnemen; en het ‘eerste oog’ zal weer in ere worden hersteld’ (G. de Purucker, Mens en Evolutie, blz. 214). Hoe krachtig ze in ieder van ons werkt hangt af van de mate waarin we onze geestelijke gaven cultiveren, want als de pijnappelklier actief is ontvangt ze rechtstreeks stralen van het kosmische denkvermogen.

Terwijl we vorderen op de boog van geestelijke ontwikkeling, is het aan ieder van ons afzonderlijk onze energieën te beheersen en in evenwicht te brengen. In de meeste gevallen is het onverstandig ons bewust in te laten met het derde oog of andere psychofysieke centra, omdat ons huidige inzicht eenvoudig niet voldoende is: we hebben nog veel te leren als embryonale goden, wezens van bewustzijn en materie, terwijl we geestelijk evolueren. De meest effectieve manier om de mogelijkheden die door het derde oog worden uitgedrukt te ontwikkelen is door welbewust de beste onzelfzuchtige karaktereigenschappen en intuïtie in ons dagelijks leven toe te passen. Door dit pad te volgen zal de rest komen als de tijd rijp is en we gereed zijn meer te ontvangen.

Bron: Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2003

Het Theosofisch Genootschap & Theosophical University Press Agency

Verwijzing:

Vergelijk The Third Eye door Richard Meakin, University of California Press, 1973.