Het menselijk lichaam

Anatomie van de mens: van cellen tot organen

Anatomie gaat over de bouw van je lichaam. Waar liggen je organen, hoe zitten weefsels in elkaar en wat verbindt al die onderdelen? Wie iets van die bouw begrijpt, ziet ook beter hoe het lichaam werkt.

Neem je hand. Botten geven stevigheid, spieren bewegen de vingers en zenuwen laten je voelen wat je vastpakt. Bloedvaten houden de weefsels van zuurstof voorzien. Zelfs bij zoiets eenvoudigs als een glas optillen werken verschillende stelsels samen.

Oppervlakkige spieren aan de voor- en achterzijde van een volwassen lichaam, met het bekken bedekt door een blauwe broek
Illustratie van grote oppervlakkige spiergroepen aan de voor- en achterzijde. Bekken en billen zijn bedekt. Diepe spieren, organen en zenuwbanen zijn niet uitgewerkt.© Stamcel.org

Wat is anatomie?

Anatomie beschrijft de vorm, ligging en opbouw van lichaamsdelen. Het woord komt uit het Grieks en verwijst naar ontleden. Dat was eeuwenlang een belangrijke manier om het lichaam van binnen te leren kennen. Tegenwoordig kijken onderzoekers ook met microscopen en medische scans.

Bij grove of macroscopische anatomie gaat het om wat met het blote oog zichtbaar is: een hart, een spier of een bot. Microscopische anatomie gaat een stap verder. Ze laat zien uit welke cellen en weefsels zo'n onderdeel bestaat.

Anatomie en fysiologie horen bij elkaar, maar betekenen niet hetzelfde. Anatomie vraagt hoe een orgaan is gebouwd. Fysiologie vraagt hoe het werkt. Bij de longen gaat het bijvoorbeeld om de bouw van de luchtwegen en longblaasjes, tegenover de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide. [1]

Van één cel naar een werkend lichaam

Je lichaam heeft verschillende organisatieniveaus. Een cel is een levende eenheid met een eigen taak. Cellen vormen samen met het materiaal om hen heen een weefsel. Verschillende weefsels vormen een orgaan, en organen werken samen binnen een stelsel. [2]

  1. CelEen hartspiercel

    Kan zich samentrekken.

  2. WeefselHartspierweefsel

    Cellen werken samen.

  3. OrgaanHet hart

    Bevat meerdere weefseltypen.

  4. StelselHart en bloedvaten

    Verplaatsen bloed door het lichaam.

Vier hoofdtypen weefsel

Dekweefsel, ook epitheel genoemd, bekleedt oppervlakken en holten. Het vormt bijvoorbeeld de buitenste huidlaag en de binnenbekleding van de darm. Klieren bestaan voor een belangrijk deel uit epitheel dat stoffen afgeeft.

Bindweefsel geeft samenhang, steun en bescherming. Het is een brede familie: ook vetweefsel, kraakbeen, bot en bloed horen erbij. De hoeveelheid en samenstelling van het materiaal tussen de cellen verschillen sterk.

Spierweefsel kan kracht leveren door samen te trekken. Zenuwweefsel bevat zenuwcellen die signalen verwerken en doorgeven, plus ondersteunende gliacellen. In een orgaan komen vaak alle vier de hoofdtypen samen. Een maag heeft bijvoorbeeld een bekleding, spierlagen, bindweefsel en zenuwen. [3]

Waar ligt wat in je lichaam?

Een orgaan heeft niet alleen een plaats van boven naar beneden, maar ook van voor naar achter. Achter de maag liggen bijvoorbeeld andere structuren dan tegen de buikwand. Een platte afbeelding kan die diepte maar gedeeltelijk laten zien.

Bij een anatomische beschrijving betekenen links en rechts altijd de kanten van de persoon zelf, niet die van de kijker. De gebruikelijke uitgangshouding is rechtop, met de handpalmen naar voren. [4]

Hoofd

Bescherming, waarneming en regeling

De schedel beschermt de hersenen. Die verwerken wat je ziet, hoort en voelt en sturen veel lichaamsfuncties aan. De pijnappelklier ligt diep in de hersenen. De hypothalamus en hypofyse liggen aan de onderzijde van de hersenen en verbinden zenuwsignalen met hormoonregeling. Niet elke structuur in het hoofd hoort dus uitsluitend bij het zenuwstelsel. [5]

Verder over hersenen en zenuwen

Hals

Een smalle doorgang met veel functies

Door je hals lopen luchtpijp, slokdarm, bloedvaten en zenuwen. Aan de voorzijde van de luchtpijp ligt de schildklier, met twee lobben die meestal door een smalle verbinding samenhangen. De kleine bijschildklieren liggen doorgaans tegen de achterkant van de schildklier. Hun ligging is dichtbij, maar hun belangrijkste taken verschillen: stofwisseling tegenover calciumregeling. [5]

Schildklier

Borstkas

Ruimte om te ademen en bloed te pompen

In de borstkas liggen de longen, met het hart ertussen. Het hart ligt niet helemaal links; het grootste deel ligt links van de middellijn. De ribben beschermen deze organen. Onder de longen vormt het middenrif de grens met de buik. Achter het borstbeen ligt de thymus, waar bepaalde immuuncellen rijpen. Dit orgaan is bij kinderen duidelijker ontwikkeld dan bij volwassenen. [4], [12]

De organen van het immuunsysteem

Buik

Verteren, verwerken en de balans bewaren

De lever ligt grotendeels rechtsboven, onder het middenrif. De maag ligt vooral linksboven. De alvleesklier ligt dwars in de bovenbuik, grotendeels achter de maag. Daaronder liggen veel darmlissen. De nieren liggen verder naar achteren, aan weerszijden van de wervelkolom; bovenop liggen de bijnieren. Nieren en bijnieren zijn verschillende organen, ondanks de overeenkomst in hun naam. [6], [7]

De ligging van de hormoonklieren

Bekken

Urinewegen, darm en voortplantingsorganen

Het bekken vormt de benige onderzijde van de romp. Hier liggen onder meer de blaas en het laatste deel van de dikke darm. Bij de vrouwelijke voortplantingsanatomie liggen ook de baarmoeder en eierstokken in het bekken. De testes liggen juist buiten de bekkenholte, in de balzak. Eierstokken en testes zijn geslachtsklieren: ze hebben zowel met voortplantingscellen als met hormonen te maken. [18]

Eierstokken en testes

Armen en benen

Stevigheid en beweging

Botten en gewrichten geven armen en benen hun vorm en bewegingsmogelijkheden. Spieren trekken via pezen aan botten. Zenuwen brengen bewegingssignalen naar de spieren en geven informatie over aanraking en houding terug. Bot is bovendien levend weefsel. In bepaalde botten ligt rood beenmerg, waar bloedcellen ontstaan. Bij volwassenen gebeurt veel bloedvorming in de romp, onder meer in het bekken en de wervels. [9], [10]

Beenmerg en de vorming van bloedcellen

Welke lichaamsstelsels zijn er?

In veel anatomieboeken worden elf orgaanstelsels onderscheiden. Dat is een handige indeling om te leren, geen verzameling afgesloten vakjes. De alvleesklier hoort bijvoorbeeld bij zowel de spijsvertering als het endocriene stelsel. Het immuunsysteem wordt vaak samen met het lymfestelsel besproken. [2]

1. Huid, haren en nagels

De huid vormt de grens met de buitenwereld. Ze beperkt vochtverlies, helpt de lichaamstemperatuur regelen en bevat zintuiglijke zenuwuiteinden. Zweetklieren, talgklieren, haren en nagels horen bij dit stelsel. De huid is tegelijk een belangrijke eerste barrière voor het immuunsysteem. [17]

2. Het skelet

Botten geven steun en beschermen kwetsbare delen: denk aan de schedel rond de hersenen. Samen met gewrichten maken ze beweging mogelijk. Bot slaat ook mineralen op. Het beenmerg binnenin bepaalde botten vormt de omgeving waarin bloedvormende stamcellen hun werk doen. [9]

3. Het spierstelsel

Skeletspieren laten je lopen, slikken en je houding bewaren. Hun activiteit levert ook warmte op. Niet alle spieren horen bij de bewegingen die je bewust maakt: de hartspier pompt bloed en glad spierweefsel beweegt bijvoorbeeld de darmwand. [10]

4. Het zenuwstelsel

Hersenen en ruggenmerg vormen het centrale zenuwstelsel. Zenuwen buiten deze structuren behoren tot het perifere zenuwstelsel. Ze brengen informatie naar binnen en opdrachten naar buiten. Daardoor kun je waarnemen en bewegen, terwijl veel regeling van organen onbewust verloopt. [8]

5. Het endocriene stelsel

Hormoonproducerende cellen en klieren geven boodschappen af die via het bloed andere cellen bereiken. Alleen cellen met passende ontvangers reageren. Zo beïnvloeden hormonen onder meer groei, voortplanting en energiegebruik. Je leest hierover meer bij wat hormonen zijn en hoe ze werken. [5]

6. Hart en bloedvaten

Het hart houdt het bloed in beweging. Slagaders voeren bloed van het hart weg en aders brengen het terug. In de kleinste bloedvaten, de haarvaten, worden stoffen uitgewisseld met weefsels. Deze bloedsomloop vervoert onder meer zuurstof, voedingsstoffen, hormonen en afvalstoffen. [11]

7. Het lymfestelsel en immuunsysteem

Lymfevaten voeren weefselvocht terug naar de bloedsomloop. Lymfeklieren, milt, thymus en immuuncellen helpen het lichaam beschermen tegen infecties. Het immuunsysteem zit dus niet op één plek: cellen ervan bewegen door bloed en weefsels of verblijven in organen. [12]

8. Het ademhalingsstelsel

Lucht stroomt via de luchtwegen naar de longen. In de longblaasjes gaat zuurstof naar het bloed en koolstofdioxide de andere kant op. Het middenrif en andere ademhalingsspieren zorgen dat de borstkas van volume verandert, waardoor lucht naar binnen en buiten beweegt. [13]

9. Het spijsverteringsstelsel

Van mond tot darm wordt voedsel verplaatst, afgebroken en opgenomen. Lever, galblaas en alvleesklier ondersteunen dat proces met gal en verteringssappen. De opname van voedingsstoffen vindt grotendeels plaats in de dunne darm. Ook zenuwen en hormonen regelen mee. [6]

10. Het urinestelsel

De nieren maken urine en helpen de hoeveelheid water, zouten en zuren in het lichaam regelen. Urine gaat via de urineleiders naar de blaas en verlaat het lichaam via de plasbuis. De nieren maken daarnaast stoffen die betrokken zijn bij bloeddruk en bloedvorming. [7]

11. Het voortplantingsstelsel

Dit stelsel maakt voortplanting mogelijk. Het omvat de geslachtsklieren en de bijbehorende inwendige en uitwendige organen. De eierstokken leveren eicellen, de testes maken zaadcellen. Hun hormonen werken ook buiten de voortplantingsorganen, bijvoorbeeld op botten en spieren. [18]

Hoe werken die onderdelen samen?

Bij een maaltijd merk je hoe weinig de stelsels zich aan de grenzen uit een anatomieboek houden. Je kauwspieren verkleinen voedsel, de darm neemt voedingsstoffen op en het bloed vervoert die verder. Zenuwen en hormonen stemmen de spijsvertering af. De alvleesklier geeft niet alleen verteringsenzymen af, maar helpt met haar hormonen ook het glucosegehalte in het bloed regelen. [6]

Evenwicht is voortdurend bijsturen

Je lichaam probeert zijn inwendige omstandigheden binnen bruikbare grenzen te houden. Dat heet homeostase. Het betekent niet dat alles constant blijft: temperatuur, hartslag en hormoonspiegels mogen veranderen. De regeling zorgt ervoor dat cellen onder wisselende omstandigheden kunnen blijven werken. [14]

Het samenspel van hormonen en zenuwen is daarvan een belangrijk onderdeel. Het zenuwstelsel ontvangt signalen en stuurt reacties aan. Hormonen helpen de activiteit van andere cellen afstemmen. Het immuunsysteem reageert onder meer op infecties en weefselschade. Het zijn verschillende vormen van communicatie, met veel onderlinge verbindingen.

Waar passen stamcellen in dit verhaal?

Stamcellen vormen geen afzonderlijk orgaanstelsel. Ze komen voor in verschillende weefsels en kunnen zichzelf vernieuwen en gespecialiseerde cellen leveren. In het beenmerg ontstaan zo voortdurend nieuwe bloedcellen. Andere stamcellen onderhouden bijvoorbeeld de darmbekleding.

Dat herstelvermogen is niet onbeperkt. Een stamcel uit een volwassen weefsel kan doorgaans maar een bepaalde groep celtypen voortbrengen. Ook de omgeving en plaatselijke signalen doen ertoe. Daarom is de bouw van een weefsel belangrijk om te begrijpen wat stamcellen daar wel en niet kunnen. [15]

Hoe kijken we in het lichaam?

Anatomie leer je op verschillende schalen. Een ontleding laat zien hoe structuren naast, achter en in elkaar liggen. Onder de microscoop worden juist celvormen en weefsellagen zichtbaar. Dat zijn verschillende blikken op hetzelfde lichaam, niet twee losstaande vakgebieden. [1]

Bij levende mensen kan medische beeldvorming veel van die bouw zichtbaar maken. Een MRI gebruikt een sterk magneetveld en radiogolven om doorsnedebeelden te maken. Daar komt geen röntgenstraling aan te pas. MRI kan bijvoorbeeld hersenweefsel, spieren en gewrichtsbanden in beeld brengen. [16]

Een atlas blijft een vereenvoudiging. Organen hebben diepte, veranderen iets van positie tijdens bewegen of ademen en verschillen tussen mensen in vorm en grootte. Gebruik een anatomische afbeelding daarom om de onderlinge ligging te begrijpen, niet als een exacte maatverdeling voor ieder lichaam.

Wat heb je onthouden?

Drie vragen over de bouw van je lichaam. Kies je antwoorden en klik op ‘Bekijk mijn antwoorden’ voor een korte uitleg.

1. Wat betekent rechts op een anatomische afbeelding?
2. Waarom hoort de alvleesklier bij twee stelsels?
3. Waaruit bestaat een orgaan zoals de maag?

Veelgestelde vragen over anatomie

Wat is het verschil tussen een weefsel en een orgaan?

Een weefsel bestaat uit samenwerkende cellen en het materiaal tussen die cellen. Een orgaan, zoals de maag of het hart, bevat verschillende weefseltypen die samen een functie vervullen.

Hoeveel orgaanstelsels heeft een mens?

Een veelgebruikte indeling telt elf stelsels. Het aantal kan per leerboek verschillen doordat sommige onderdelen worden samengevoegd. De biologische werkelijkheid verandert daardoor niet; organen kunnen bij meer dan één stelsel horen.

Wat is het grootste orgaan?

De huid is het grootste orgaan van het lichaam. Ze bekleedt het hele lichaamsoppervlak. De lever is het grootste vaste inwendige orgaan. [19]

Liggen bij iedereen de organen precies hetzelfde?

De algemene bouw is vergelijkbaar, maar vorm, afmetingen en precieze ligging kunnen verschillen. Ook houding en ademhaling spelen mee. Anatomische platen tonen daarom een voorbeeld van de gebruikelijke bouw.

Zijn stamcellen een lichaamsstelsel?

Nee. Stamcellen zijn cellen die zichzelf kunnen vernieuwen en gespecialiseerde cellen kunnen leveren. Ze bevinden zich in verschillende weefsels en hebben daar hun eigen mogelijkheden en beperkingen.

Bronnen

  1. OpenStax, Anatomy and Physiology 2e: anatomie en fysiologie.
  2. OpenStax: organisatieniveaus en orgaanstelsels.
  3. National Cancer Institute (NCI), SEER: weefsels.
  4. OpenStax: anatomische houding, richtingen en lichaamsholten.
  5. NCI SEER: het endocriene stelsel; hypofyse en pijnappelklier; schildklier en bijschildklieren; alvleesklier.
  6. NIDDK (NIH): het spijsverteringsstelsel en zijn werking.
  7. NIDDK: de nieren en hun werking.
  8. NCI SEER: de organisatie van het zenuwstelsel.
  9. NCI SEER: het skelet.
  10. NCI SEER: het spierstelsel.
  11. NCI SEER: hart en bloedvaten.
  12. NCI SEER: het lymfestelsel; de thymus.
  13. NHLBI (NIH): hoe de longen werken.
  14. NCI SEER: lichaamsfuncties en homeostase.
  15. NIH: Stem Cell Basics, zelfvernieuwing en specialisatie.
  16. NIBIB (NIH): Magnetic Resonance Imaging (MRI).
  17. NCI SEER: anatomie van de huid.
  18. NCI SEER: het voortplantingsstelsel; vrouwelijke organen; testes.
  19. NCI SEER: anatomie van lever en galblaas.